Intrusieve (herinnerings)beelden aanpakken in de preventie en behandeling van angst- en traumaklachten

Marjolein Thunnissen
Rijksuniversiteit Groningen; Accare

 

nummer

70

Opgenomen in sessie

Donderdag, 15.00 uur, Zaal 55/56

Kernwoorden

Beelden; Herinneringen; Angstbehandeling; Preventie; PTSS

Tags doelgroep

Volwassenen

Tags thematiek en problematiek

Angststoornissen
Trauma en PTSS

Tags streams

Cognitieve (gedrags)therapie
Schematherapie
EMDR

Beknopte samenvatting van het symposium

Negatieve mentale beelden spelen een belangrijke rol in het ontstaan en de instandhouding van verschillende psychiatrische stoornissen. Zo wordt posttraumatische stressstoornis (PTSS) gekenmerkt door intrusies - hardnekkige en ongewenste herinneringen aan trauma. Het aanpakken van intrusies lijkt een goed aangrijpingspunt voor de preventie van PTSS na een traumatische gebeurtenis, en er zijn aanwijzingen dat Tetris spelen na een trauma intrusies kan tegengaan. Ook bij sociale angststoornis komen negatieve beelden vaak voor (herinneringen aan nare situaties of andere intrusieve voorstellingen, zoals ‘flasfhorwards’) en lijken deze beelden belangrijk voor het instandhouden van de angst. Het aanpakken van dergelijke negatieve beelden kan mogelijk bijdragen aan het verbeteren van behandeluitkomsten van sociale angst, en om die reden worden verschillende ‘imagery-based’ interventies zoals imaginaire rescripting en EMDR ingezet. De onderzoeken in het huidige symposium hebben kritisch gekeken naar het aanpakken van intrusieve (herinnerings)beelden in de preventie en behandeling van angst- en traumaklachten.

In de eerste lezing vertelt Ineke Wessel over een grootschalige replicatie van het allereerste onderzoek naar het effect van Tetris op intrusies. Uit een eerdere meta-analyse waren namelijk aanwijzingen gevonden voor publicatiebias - een onderzoeksliteratuur waarin de resultaten (heel) vaak overeenstemmen met de hypotheses. Verschillende onderzoeksgroepen testten zes steekproeven van minimaal 72 deelnemers die willekeurig werden toegewezen aan een Tetris- of een controleconditie. Zij zagen een film met verschillende schokkende scènes en zagen vervolgens, na een afleidende taak, (neutrale) beelden uit elke filmscène om de herinnering te reactiveren en kregen de Tetris- of de controle-taak. In de daaropvolgende week hielden ze een dagboek bij waarin ze film-gerelateerde intrusies noteerden. De resultaten zullen tijdens het symposium worden gepresenteerd.

In de tweede lezing vertelt Marjolein Thunnissen over een systematische review en meta-analyse van de verschillende interventies die zijn toegepast om negatieve beelden bij sociale angst aan te pakken. Na een systematische zoektocht en selectie werden 21 studies geïncludeerd. Interventies met imaginaire rescripting kwamen het vaakst naar voren, gevolgd door EMDR en andere duale-taken en imaginaire exposure. De meeste interventies richtten zich op herinneringen die samenhangen met terugkerende beelden, maar ook andere intrusieve beelden werden aangepakt. Meta-analyses lieten zien dat de spanning van de beelden (maar niet de levendigheid) en de mate van sociale angst gemiddeld afnemen vergeleken met met ‘niet-imagery-based’ controlegroepen, na vaak maar een tot twee sessies. Het kleine aantal studies en heterogeniteit maken onder andere wel dat de resultaten met voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd.

In de discussie met Leonieke Vet staan we tot slot stil bij wanneer en hoe je in de klinische praktijk (herinnerings)beelden aanpakt bij angsten en bij traumatische gebeurtenissen. We evalueren Tetris spelen als mogelijke aanvulling op de preventie van PTSS, afhankelijk van de resultaten op het verlagen van intrusies. Op basis van de voorzichtig positieve resultaten van het aanpakken van negatieve beelden bij sociale angst, gaan we in op de mogelijkheden en afwegingen omtrent het inzetten van dergelijke (kortdurende) interventies. We nemen mee dat de toegevoegde waarde van ‘imagery-based’ interventies nader onderzoek behoeft alsook dat er verschillende (aspecten van) beelden kunnen worden aangepakt met verschillende type interventies.

Auteurs

Helpt een spelletje Tetris tegen intrusieve herinneringen aan een traumafilm?

dr. Ineke Wessel
Rijksuniversiteit Groningen

 

Kernwoorden

Intrusies; Tetris; Traumafilm; Preventie; Replicatiestudie

Inhoud van de lezing

Wie een traumatische gebeurtenis meemaakt, loopt kans een Posttraumatische Stress Stoornis (PTSS) te ontwikkelen. PTSS wordt gekenmerkt door intrusies- hardnekkige en ongewenste herinneringen aan het trauma. Deze intrusies lijken een goed aangrijpingspunt voor de preventie van PTSS. Er zijn aanwijzingen dat Tetris spelen na een trauma intrusies kan tegengaan.

Tetris is een digitaal spel waarbij gekleurde blokken in verschillende vormen van boven naar beneden over een scherm bewegen. Spelers moeten die blokken zo zien te draaien dat ze onder aan het scherm precies in een rijtje passen. Experimentele studies (bijvoorbeeld Holmes e.a., 2009) lieten zien dat proefpersonen in de week na het spelen van Tetris minder intrusies van schokkende filmscènes in een dagboek noteerden dan deelnemers in een controlegroep. Volgens Holmes en collega's (2009) komt dat doordat Tetris de visueel-ruimtelijke informatieverwerking belast.

Volgens een meta-analyse (Asselbergs e.a., 2023) verminderen cognitieve interventies (waaronder Tetris) inderdaad intrusies. Die meta-analyse vond echter ook aanwijzingen voor publicatiebias - een onderzoeksliteratuur waarin de resultaten (heel) vaak overeenstemmen met de hypotheses, terwijl statistisch gezien het aantal nul-bevindingen (veel) groter zou moeten zijn. Eén manier om publicatiebias te verminderen is het doen van replicatieonderzoek. Dit type onderzoek volgt de methode van een eerder onderzoek zo goed mogelijk en voldoet verder idealiter aan de volgende criteria: 1) de uitvoerders zijn onafhankelijk van de oorspronkelijke onderzoekers; 2) de methode en data-analyseplannen zijn vooraf bepaald (gepreregistreerd) en 3) het onderzoek is gevoelig genoeg om een effect te vinden als het daadwerkelijk bestaat.

De huidige bijdrage rapporteert de bevindingen van een grootschalige replicatie van het allereerste onderzoek naar het effect van Tetris op intrusies (Holmes e.a., 2009). De methode en het data-analyseplan werden gepreregistreerd (https://osf.io/64fuw).

Verschillende onderzoeksgroepen (in Groningen, Tilburg, Nijmegen, Cambridge (UK), Saarbrücken (D) en Adelaide (Aus) testten zes steekproeven van minimaal 72 studenten met lage scores op een screening voor depressie en PTSS. Deze deelnemers werden willekeurig toegewezen aan een Tetris- of een controlegroep. Het onderzoek bestond uit verschillende sessies, die vanwege COVID19-maatregelen online waren. Tijdens de eerste sessie werd een film met verschillende schokkende scènes gepresenteerd. Na een afleidende taak (beoordelen van klassieke muziek) zagen de proefpersonen (neutrale) beelden uit elke filmscène om de herinnering te reactiveren en kregen ze de Tetris- of de controle-taak. In de daaropvolgende week hielden ze een dagboek bij waarin ze film-gerelateerde intrusies noteerden. Tijdens de follow-up sessie één week later vulden ze vragenlijsten in.

Op het moment van schrijven van deze abstract (april 2023) zijn de data van 5 centra compleet. De zesde groep rondt binnenkort de dataverzameling af (momenteel n = 67 van de 72). De resultaten – de vergelijking van het aantal intrusies in de Tetris- en de controleconditie - en hun implicaties zullen tijdens het symposium worden gepresenteerd. Als Tetris spelen inderdaad het aantal intrusies verlaagt dan kan dat een laagdrempelige en goedkope aanvulling zijn op PTSS-preventieprogramma's (bijvoorbeeld het uitdelen van kleine spelcomputers aan vluchtelingen; Kanstrup et al., 2020).

Referenties en literatuur

Co-auteurs: 

Tetris Replication Team (in alfabetische volgorde):

Casper Albers, Diana S. Ferreira de Sá, Alexander Hauck, Lars Jaswetz, Julie Krans, Tanja Michael, Reginald Nixon, David G. Pearson, Kevin van Schie, Isabelle Slattery, Tom Smeets, Melanie Takarangi

Referenties:

Asselbergs, J., van Bentum, J., Riper, H., Cuijpers, P., Holmes, E., & Sijbrandij, M. (2023). A systematic review and meta-analysis of the effect of cognitive interventions to prevent intrusive memories using the trauma film paradigm. Journal of Psychiatric Research, 159, 116–129. https://doi.org/10.1016/j.jpsychires.2023.01.028

Holmes, E. A., James, E. L., Coode-Bate, T., & Deeprose, C. (2009). Can playing the computer game “Tetris” reduce the build-up of flashbacks for trauma? A proposal from cognitive science. PloS One, 4(1), e4153. DOI: 10.1371/journal.pone.0004153

Kanstrup, M., Kontio, E., Geranmayeh, A., Lauri, K. O., Moulds, M. L., & Holmes, E. A. (2021). A single case series using visuospatial task interference to reduce the number of visual intrusive memories of trauma with refugees. Clinical Psychology & Psychotherapy, 28(1), 109–123. https://doi.org/10.1002/cpp.2489

Auteurs

Interventies gericht op negatieve mentale beelden bij sociale angst: een systematische review en meta-analyse van de kenmerken en uitkomsten

Marjolein Thunnissen
Rijksuniversiteit Groningen; Accare

 

Kernwoorden

Beelden; Herinneringen; Sociale angst; Meta-analyse

Inhoud van de lezing

Negatieve mentale beelden komen vaak voor bij mensen met sociale angst en lijken een belangrijke rol te spelen in de instandhouding van sociale angst (Clark & Wells, 1995). Dergelijke beelden kunnen herinneringen omvatten aan nare situaties of andere intrusieve voorstellingen, zoals van een gevreesde toekomstige situatie (Ashbaugh e.a., 2019). Het aanpakken van negatieve beelden kan mogelijk bijdragen aan het verbeteren van behandeluitkomsten en om die reden worden verschillende ‘imagery-based’ interventies ingezet bij sociale angst, zoals imaginaire rescripting gericht op negatieve herinneringsbeelden (Wild e.a., 2008) en EMDR. In deze systematische review en meta-analyse willen we de verschillende interventies evalueren die zijn toegepast om negatieve beelden bij sociale angst aan te pakken, waarbij we ook willen kijken naar de uitkomsten wat betreft de eigenschappen van de beelden en de mate van sociale angst.

We hebben op basis van een vooraf vastgestelde zoekopdracht in relevante databases 541 potentiële studies geïdentificeerd. Het proces van screening en selectie hebben we gedaan met twee onafhankelijke beoordelaars. We hebben studies geïncludeerd die een interventie onderzocht hadden gericht op het aanpakken van negatieve beelden bij zowel klinische als subklinische sociale angst, waarbij kwantitatieve metingen waren gedaan voor en na de interventie. De belangrijkste uitkomstmaten van onze review zijn de kenmerken van de interventie en de verandering in beelden en sociale angst van voor tot na de interventie. Na de finale consensus zijn 21 studies geïncludeerd.

We vinden het vaakst interventies met imaginaire rescripting, gevolgd door EMDR en andere duale-taken en imaginaire exposure. De duur van sessies varieert van enkele minuten tot 90-100 minuten en de totale interventie bestaat meestal uit een tot twee sessies. De meeste interventies richten zich op herinneringen die samenhangen met terugkerende beelden of op andere herinneringen aan nare sociale situaties. Een deel van de interventies richt zich ook op andere beelden, zoals ‘flashforward’ beelden. We hebben alleen studies gevonden bij volwassenen. 17 studies hebben voldoende data voor het berekenen van effectgroottes van voor tot na de interventie, waarvan 9 studies met controlegroepen die zich niet richten op negatieve beelden meegaan in verdere meta-analyses. Voor sociale angst vinden we een significante mediumgrote afname na de interventies gericht op negatieve beelden, vergeleken met de ‘niet-imagery-based’ controlegroepen (8 studies). Hetzelfde geldt voor spanning van de beelden (7 studies). Voor levendigheid van de beelden vinden we geen significante afname (4 studies).

Samengenomen laat deze review zien hoe verschillende negatieve beelden bij sociale angst op verschillende manieren kunnen worden aangepakt. Ook laat het zien dat dergelijke interventies een aanvulling kunnen zijn op de behandeling, aangezien de spanning van de beelden (maar niet de levendigheid) en de mate van sociale angst gemiddeld afnemen, na vaak maar een tot twee sessies. De resultaten moeten wel met voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Zo is in de analyses maar een klein aantal studies meegenomen. Ook zien we heterogeniteit in de controlegroepen (actieve controle versus geen interventie) evenals in de interventies zelf. Toekomstig onderzoek moet verder uitwijzen wat de toegevoegde waarde is van ‘imagery-based’ interventies en welke beelden het beste kunnen worden aangepakt met welke interventie(s).

Referenties en literatuur

Co-auteurs:

Prof Dr Maaike Nauta en Prof Dr Peter de Jong (Rijksuniversiteit Groningen), Dr Marisol Voncken en Prof Dr Marleen Rijkeboer (Universiteit Maastricht)

Referenties:

Ashbaugh, A. R., Fishman, K. N., & Houle-Johnson, S. A. (2019). Intrusive social images in individuals with high and low social anxiety: A multi-method analysis. Behavioural and Cognitive Psychotherapy, 47(5), 594-610. doi:10.1017/S1352465819000043

Clark, D. M., & Wells, A. (1995). A cognitive model of social phobia. In R. G. Heimberg, M. R. Liebowitz, D. A. Hope, & F. R. Schneier (Eds.), Social phobia: Diagnosis, assessment, and treatment (pp. 69–93). The Guilford Press.

Wild, J., Hackmann, A., & Clark, D.M. (2008). Rescripting early memories linked to negative images in social phobia: A pilot study. Behavior Therapy, 39(1), 47–56. https://doi.org/10.1016/j.beth.2007.04.003

Auteurs

Wanneer en hoe pak je (herinnerings)beelden aan in de klinische praktijk bij angsten en bij traumatische gebeurtenissen?

Drs. Leonieke Vet
Accare

 

Inhoud

Wanneer kies je wel en wanneer kies je niet voor een interventie gericht op (herinnerings)beelden, bij angsten en bij traumatische gebeurtenissen? Waar baseer je dit op? En wat zou de timing zijn van een dergelijke interventie? (Zowel in het kader van de preventie van PTSS als in het kader van de behandeling van angst.)

Hoe maak je bij cliënten met (sociale) angst de selectie van de te behandelen beelden? (De ‘zoekstrategie’.)

Welk type interventie gericht op beelden zet je (wanneer) in?

Wat kan de relatie zijn van dergelijke interventies met exposure? Werkt exposure minder goed als er bijvoorbeeld minder disconfirmatie kan zijn, of is exposure juist minder nodig omdat mensen spontaan situaties aangaan?

Auteurs