Angstverandering in behandeling en dagelijks leven beter begrijpen: nieuwe methoden en inzichten

Dr. Elske Salemink
Afdeling Klinische Psychologie, Universiteit Utrecht

 

nummer

60

Opgenomen in sessies

Donderdag, 11.30 uur, Boszaal

Kernwoorden

CGT, exposure, angst, voorspellers

Tags doelgroep

Kinderen en adolescenten
Volwassenen

Tags thematiek en problematiek

Angststoornissen

Tags streams

Cognitieve (gedrags)therapie

Beknopte samenvatting van het symposium

Angststoornissen komen veel voor en gaan gepaard met aanzienlijk persoonlijk lijden. Er zijn evidence-based behandelingen, zoals cognitieve gedragstherapie (CGT), echter ongeveer de helft van de patiënten knapt op. Dit is niet triviaal; non-respons gaat gepaard met demoralisatie, langdurig lijden, en comorbide problemen. Vanuit therapeutisch en breder maatschappelijk perspectief betekent non-response een inefficiënt gebruik van de schaarse tijd van therapeuten, langere wachtlijsten en stijgende kosten; de GGZ staat onder druk. Er is een dringende behoefte aan inzicht in de vraag: ‘Voor wie werkt CGT?’

In dit symposium komen nieuwe benaderingen aan bod om verandering in angst beter te begrijpen. De eerste presentatie door Anna Lichtwarck-Aschoff (Rijksuniversiteit Groningen) richt zich op communicatiepatronen tijdens CGT behandeling bij angstige kinderen. Er werd gevonden dat de verandering van een rigide naar flexibeler communicatiepatroon geassocieerd was met betere behandelresultaten.

Elske Salemink (Universiteit Utrecht) geeft de tweede presentatie over het begrijpen wie het meeste baat heeft bij een CGT groepsbehandeling voor volwassenen met sociale angst. De verwachting was dat de grootste afname in angstklachten bij CGT zou zijn bij deelnemers die ook bij een korte pre-training het langste vasthielden aan de geleerde positieve interpretaties. De resultaten ondersteunden dit echter niet.

De derde presentatie, gegeven door Vera Bouwman (Universiteit Utrecht, i.s.m. University of Virginia, USA) richt zich op een vergelijkbare vraag, maar gebruikte hiervoor meer metingen (Experience Sampling Methode, ESM) om de dynamische reactie op de interpretatie training beter vast te stellen. Hier waren er wel aanwijzingen dat individuen met spreekangst (n=100) die langer profiteren van veranderingen in interpretaties minder presentatieangst symptomen hebben na een korte exposure behandeling.

De vierde presentatie door Maaike Nauta (Rijksuniversiteit Groningen en Accare) is een meta-analyse (n=124 studies) dat zich richt op de vraag ‘Voor wie zijn welke CGT-ingrediënten (exposure/cognitieve herstructurering) vooral effectief?’ bij jeugdigen met angststoornissen.

De afsluitende presentatie door Lynn Mobach (Universiteit Utrecht) gaat over reacties op alledaagse sociale interacties (gemeten met ESM) door individuen met verhoogde sociale angst en hun angstklachten zes maanden later. Resultaten lieten zien dat hoe langer iemand angstig bleef na een sociale interactie, hoe meer angstklachten ze zes maanden later hadden. 

Auteurs

Elske Salemink

Afdeling Klinische Psychologie, Universiteit Utrecht
Universitair Hoofddocent

Destabilisatie in interactiepatronen als voorwaarde voor verandering in CGT voor kinderen met angst?

Prof. Dr. Anna Lichtwarck-Aschoff
Rijksuniversiteit Groningen

 

Kernwoorden

Angst, CGT, veranderprocessen, communicatiepatronen, kinderen

Inhoud van de lezing

Inleiding: Angst is de meest voorkomende psychopathologie bij kinderen. Cognitieve gedragstherapie (CGT) wordt als de meest effectieve behandeling beschouwd, maar de uitkomsten blijven variabel. Deze studie onderzocht de communicatiepatronen van kinderen in gesprekken met hun therapeuten en of veranderingen in deze patronen, van minder rigide naar flexibeler, geassocieerd waren met betere behandelresultaten.

Methode: Drieënvijftig kinderen (31% jongens), met een gemiddelde leeftijd van 9 jaar (SD = 1,85) voltooiden een CGT-programma van 12 weken (Bögels, 2008). Zowel moeder als kind rapporteerden over de angstklachten van het kind voor en na de behandeling. Daarnaast werden 15-minuten segmenten van de tweede en vijfde therapiesessies op microniveau geanalyseerd om de communicatiepatronen in kaart te brengen.

Resultaten: Zoals verwacht lieten kinderen aan het begin van de behandeling rigide en geremd communicatiegedrag zien. Kinderen die in de loop van de tijd minder repetitief en meer flexibel communicatiegedrag lieten zien, hadden een grote afname aan angstklachten gerapporteerd door moeders. Deze bevindingen werden niet bevestigd voor de kinderrapportages. Ten slotte werd de hypothese dat de positieve relatie tussen het doorbreken van rigide communicatiepatronen en het behandelresultaat gemedieerd zou worden door een toename aan proactief communicatiegedrag van het kind slechts gedeeltelijk ondersteund.

Discussie en conclusie: Resultaten van dit onderzoek dragen bij aan meer kennis over onderliggende veranderprocessen in CGT. Zij leveren eerste aanwijzingen voor de hypothese dat het doorbreken van rigide (communicatie)patronen een voorwaarde kan zijn voor klinische verandering.

Klinische implicaties: Het doorbreken van dat rigide gespreksgedrag kan een voorwaarde zijn voor klinische verandering. Rekening houden met het veranderingsproces van een cliënt, kan ons uiteindelijk in staat stellen behandeling te personaliseren, d.w.z. specifieke behandelelementen af ​​te stemmen op de huidige toestand waarin de cliënt zich bevindt.

Referenties en literatuur

Hayes, A. M., & Andrews, L. A. (2020). A complex systems approach to the study of change in psychotherapy. BMC medicine, 18(1), 1-13.

Lichtwarck‐Aschoff, A., & van Rooij, M. M. (2019). Are changes in children's communication patterns predictive of treatment outcomes for children with anxiety?. Clinical psychology & psychotherapy, 26(5), 572-585.

Auteurs

Anna Lichtwarck-Aschoff

Rijksuniversiteit Groningen
Hoogleraar Orthopedagogiek

Voorspellen van behandeleffect bij sociale angst: Individuele reactiviteit op een interpretatie training als nieuwe, dynamische predictor

Dr. Elske Salemink
Afdeling Klinische Psychologie, Universiteit Utrecht

 

Kernwoorden

sociale angst, CGT, voorspellers, interpretaties

Inhoud van de lezing

Inleiding. Cognitieve gedragstherapie (CGT) is een evidence-based behandeling voor angststoornissen. Echter niet iedereen knapt op en er is veel variatie in de behandelresponse. Beter begrip van die variatie in behandelresponse is belangrijk omdat het zicht geeft op wie mogelijk wel baat zal hebben, en zou matching van individu aan type behandeling kunnen faciliteren. Er zijn weinig consistente voorspellers van de uitkomst van CGT voor angst. Een focus op individuele symptoomreactiviteit en veerkracht lijkt veelbelovend en sluit aan bij recente toepassingen van dynamische systeemtheorie op psychopathologie (Hayes et al., 2015). Het vermogen om te herstellen van negatieve of stressvolle ervaringen (i.e., veerkracht) heeft veel aandacht gekregen in de literatuur. Naast negatieve ervaringen zijn er ook positieve ervaringen waarvan men kan leren. CGT kan gezien worden als een grote positieve leerervaring waarin ander gedrag, cognities en emoties geleerd worden. Het vermogen om lang vast te houden aan positieve (leer)ervaringen is mogelijk functioneel.

In ons pilot-onderzoek werd onderzocht of het lang vasthouden van positieve interpretaties na een korte positieve interpretatietraining (positieve leerervaring) voorspellend is voor de effectiviteit van CGT voor sociale angst (Mobach et al., ingediend). Verwacht werd dat personen die langer baat hebben van de interpretatietraining in de zin van een tragere terugkeer naar hun negatieve interpretaties, een sterkere afname in angstsymptomen zouden vertonen als reactie op CGT.

Methode. In totaal namen 39 personen met een sociale angststoornis (SAD) deel. Zij volgden een korte, 1-sessie computertraining om ambigue situaties positiever te interpreteren (Cognitieve Bias Modificatie training voor Interpretaties). Direct voor en na de training werden interpretaties gemeten, alsook eenmaal per dag gedurende drie dagen na de training. Het daaropvolgende 6-weken CGT-programma bestond uit wekelijkse groepssessies (Hofmann & Otto, 2008) met psycho-educatie, exposure, videofeedback en cognitieve herstructurering. De mate van sociale angst werd gemeten vóór, tijdens en na de behandeling.

Resultaten. De resultaten kwamen niet overeen met onze verwachtingen. Personen die minder lang baat hebben gehad van de positieve interpretatie training, hadden meer baat bij CGT (een grotere afname van angstklachten). Mogelijk waren er te weinig metingen per dag (1 meting) om de verandering in interpretaties en de terugkeer goed vast te stellen (velen waren na 1 dag al terug bij hun eerdere interpretaties). Een belangrijke volgende stap is om meerdere keren per dag interpretaties te meten, bijvoorbeeld met Experience Sampling Methoden (ESM) zodat verloop van interpretaties na de training beter in kaart wordt gebracht.

Conclusie. Deze bevindingen bieden geen steun voor de hypothese dat een trage individuele terugkeer naar negatieve interpretaties na een interpretatie-training een voorspeller is voor CGT effecten bij angst.

Klinische implicaties. In dit onderzoek bleek het lastig om CGT effecten te voorspellen en de directe klinische implicaties zijn dan ook beperkt. De resultaten helpen wel bij het ontwerpen van toekomstige studies waarbij meerdere metingen per dag belangrijk lijkt om de dynamische aard van een (angst)response vast te leggen (zie abstract Vera Bouwman). 

Referenties en literatuur

Hayes, A. M., Yasinski, C., Barnes, J. B., & Bockting, C. L. (2015). Network destabilization and transition in depression: New methods for studying the dynamics of therapeutic change. Clinical Psychology Review41, 27-39.

Hofmann, S. G., & Otto, M. W. (2008). Cognitive behavioral therapy for social anxiety disorder: evidence-based and disorder-specific treatment techniques. New York, NY: Routledge.

Mobach, L., van Loenen, R., Allart-van Dam, E., Borsboom, D., Wiers, R. W., & Salemink, E. (ingediend). Slower Return to Baseline after an Interpretation Training as a Dynamic Predictor for Treatment Response in Social Anxiety Disorder.

Auteurs

Elske Salemink

Afdeling Klinische Psychologie, Universiteit Utrecht
Universitair Hoofddocent

Verandering in interpretatie bias als dynamische voorspeller voor behandeluitkomst bij presentatieangst

MSc Vera Bouwman
Afdeling Klinische Psychologie, Universiteit Utrecht

 

Kernwoorden

presentatieangst, interpretaties, ESM, exposure, voorspellers

Inhoud van de lezing

Inleiding. Presentatieangst komt vaak voor bij jongvolwassenen en kan negatieve gevolgen hebben voor schoolprestaties en carrière. Cognitieve Gedragstherapie (CGT) met exposure is de voorgeschreven behandeling bij presentatieangst. Echter is CGT niet effectief voor iedereen (Loerinc et al., 2015). Onderzoeken naar voorspellers van behandeluitkomst focussen tot op heden met name op statische metingen die op één specifiek moment zijn afgenomen. Dit onderzoek focust op een dynamische voorspeller, namelijk hoelang houdt iemand vast aan een tijdelijke verandering in interpretatie bias. Interpretatie bias speelt een belangrijke rol in het in standhouden van presentatieangst. Door tijdelijk interpretatie bias te veranderen naar een meer positievere interpretatie stijl, kan er door middel van herhaalde metingen gemeten worden hoelang men profiteert van dit ‘duwtje in de juiste richting’. Gebaseerd op de Dynamische Systeem theorie wordt verwacht dat individuen die een langzamer herstel laten zien na de verandering en de verandering dus langer vasthouden, meer zullen profiteren van een daadwerkelijke behandeling (Hayes & Andrews, 2020). Dit ‘duwtje’ zou vervolgens ingezet kunnen worden als instrument om te voorspellen wie klaar is voor behandeling.

Methode. Vrouwelijke participanten (N = 100) van 18-35 jaar (M = 23.13, SD = 3.89) met subklinische presentatieangst (Personal Report of Confidence as a Speaker => 16) hebben deelgenomen aan deze studie. Participanten begonnen met het invullen van korte vragenlijsten (ongeveer 1 minuut) op hun mobiel (Experience Sampling Methode). Drie dagen lang, 10 keer per dag op willekeurige momenten vulden participanten vier VAS vragen in om interpretatie bias (IB) en anticipatie angst te meten. Op de tweede dag van de korte vragenlijsten voerden participanten in de ochtend een online computertaak uit om interpretatie bias te veranderen naar een positievere interpretatie stijl (n = 50, positieve cognitive bias modification for interpretations training) of een controle taak die interpretatie bias niet verandert (n = 50, neutrale cognitive bias modification for interpretations training). Als laatste volgden alle participanten een online één-sessie exposure behandeling voor presentatieangst (Lindner et al., 2021). Voorafgaand aan de behandeling, een dag, een week en twee weken na de behandeling vulden participanten een vragenlijst in om ernst van presentatieangst te meten (Speech Anxiety Thought Inventory).

Resultaten. Presentatieangst symptomen waren significant afgenomen na de exposure behandeling. Echter, de positieve interpretatie bias training heeft niet voor een tijdelijke verandering in interpretatie bias gezorgd; er waren geen verschillen tussen de positieve en neutrale training conditie. Preliminaire analyses lieten wel zien dat een positievere interpretatie stijl samenhangt met minder presentatieangst klachten na de behandeling. Daarnaast hing het langer vasthouden van mogelijke veranderingen in interpretatie bias samen met minder presentatieangst klachten na de behandeling.

Conclusie. Er zijn aanwijzingen dat jongvolwassenen die langer in staat zijn te profiteren van positievere interpretaties voorafgaand aan behandeling ook minder presentatieangst symptomen hebben na een korte exposure behandeling.

Klinische implicaties. Het monitoren van interpretatie bias op dagelijks niveau bij jongvolwassenen met presentatieangst kan inzicht geven wie minder presentatieangst klachten zal hebben na behandeling. Dit kan mogelijk ingezet worden om vooraf te voorspellen wie klaar is voor behandeling.

Referenties en literatuur

Hayes, A. M., & Andrews, L. A. (2020). A complex systems approach to the study of change in psychotherapy. BMC Medicine, 18, 197. https://doi.org/10.1186/s12916-020-01662-2

Lindner, P., Dagöö, J., Hamilton, W., Miloff, A., Andersson, G., Schill, A., & Carlbring, P. (2021). Virtual Reality exposure therapy for public speaking anxiety in routine care: A single-subject effectiveness trial. Cognitive Behaviour Therapy, 50(1), 67–87. https://doi.org/10.1080/16506073.2020.1795240

Loerinc, A. G., Meuret, A. E., Twohig, M. P., Rosenfield, D., Bluett, E. J., & Craske, M. G. (2015). Response rates for CBT for anxiety disorders: Need for standardized criteria. Clinical Psychology Review, 42, 72–82. https://doi.org/10.1016/j.cpr.2015.08.004

Auteurs

Vera Bouwman

Afdeling Klinische Psychologie, Universiteit Utrecht
Promovendus

Voor wie zijn welke CGT-ingredienten vooral effectief: een meta-analyse gebaseerd op individuele patientdata bij jeugdigen met angststoornissen

Prof. Dr. Maaike Nauta
Rijksuniversiteit Groningen; Accare Kinder- en Jeugdpsychiatrie

 

Kernwoorden

CGT, exposure, angst, kinderen, jongeren

Inhoud van de lezing

Introductie: CGT als behandelpakket is effectief bij het behandelen van angststoornissen bij kinderen en jongeren. CGT is echter niet voor alle kinderen even effectief. Zo hebben kinderen met een sociale fobie, met ernstige angstklachten bij aanvang of met comorbide depressie een minder gunstig beloop (Hudson et al., 2015). De CGT-behandelpakketten bestaan uit verschillende ingrediënten, zoals exposure, cognitieve herstructurering, ontspanningsoefeningen, beloningen, probleem oplossende vaardigheden, etc. (Chorpita  et al., 2011). Het zou kunnen zijn dat bepaalde ingrediënten cruciaal zijn, juist bij kinderen met bepaalde kenmerken. Zo zou het kunnen zijn dat cognitieve herstructurering of problemen oplossen, interventies die ook worden ingezet bij depressie, juist voor het beloop van jongeren met comorbide depressie cruciaal zijn. Dit type vragen kan moeilijk worden beantwoord op basis van één losse studie. Wanneer echter data van veel verschillende studies wordt samengevoegd, biedt dat meer mogelijkheden om naar patronen in de groep te kijken.

Materiaal en methodes: Op basis van een systematische zoektocht door relevante databases werden 124 studies geselecteerd met een gerandomiseerde en gecontroleerd onderzoek waarin de effectiviteit van een CGT bij kinderen en jongeren met een angststoornis of angstklachten werd afgezet tegen een wachtlijstperiode of een andere niet-actieve controleconditie. Alle auteurs werden aangeschreven en de behandelprotocollen werden opgevraagd. Momenteel worden de data door een internationaal team van onderzoekers samengevoegd. Telkens doen twee onderzoekers onafhankelijk van elkaar de selectie en data-extractie. De classificatie en de ernst van de klachten werd vastgesteld op basis van de ADIS-C/P, een semi-gestructureerd diagnostisch interview. Comorbide problematiek zoals depressieve klachten en externaliserende problematiek werden gemeten met vragenlijsten voor kinderen en ouders. Paralel hieraan werd per protocol vastgelegd welke ingredienten in welke mate in de behandeling terugkomen op basis van een uitgebreide taxonomie (Bodden et al., 2016).

Resultaten: Op dit moment hebben we 48 datasets van verschillende auteurs ontvangen en worden deze gereed gemaakt voor analyses. Op basis van de taxonomie zien we dat veruit de meeste CGT-programma’s exposure hebben en dat er wel variatie is in de mate van ontspanningsoefeningen, cognitieve technieken, het gebruik maken van beloningen en modeling, en de aandacht voor terugvalpreventie.

Discussie en conclusie: Via internationale samenwerking is het goed mogelijk om meer inzicht te krijgen op welke CGT-ingredienten cruciaal zijn voor welke kinderen en jongeren.

Klinische implicaties: De klinische implicaties worden besproken. Als er bepaalde CGT-ingredienten die cruciaal zijn voor bepaalde groepen kinderen, dan kunnen clinici hun zorg daarop aanpassen en zo de zorg meer personaliseren.

Referenties en literatuur

Bodden, D.H.M., Nauta, M.H., Kuijpers, R., Stone, L., & Stikkelbroek, Y. (2016). Een taxonomie van structurele, contextuele en inhoudelijke kenmerken om protocollen in studies te typeren. Utrecht: University of Utrecht & Trimbos Institute, Nationaal Consortium Angst- en stemmingsproblemen bij jeugd.

Chorpita, B. F., Daleiden, E. L., Ebesutani, C., Young, J., Becker, K. D., Nakamura, B. J., & Smith, R. L. (2011). Evidence‐based treatments for children and adolescents: An updated review of indicators of efficacy and effectiveness. Clinical Psychology: Science and Practice, 18(2), 154-172.

Hudson, J. L., Keers, R., Roberts, S., Coleman, J. R. I., Breen, G., Arendt, K., Boegels, S., Cooper, P., Creswell, C., Hartman, C., Heiervang, E. R., Hoetzel, K., In-Albon, T., Lavallee, K., Lyne-Ham, H. J., Marin, C. E., McKinnon, A., Meiser-Stedman, R., Morris, T., ... Eley, T. C. (2015). Clinical Predictors of Response to Cognitive-Behavioral Therapy in Pediatric Anxiety Disorders: The Genes for Treatment (GxT) Study. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 54(6), 454-463. https://doi.org/10.1016/j.jaac.2015.03.018

Auteurs

Maaike Nauta

Rijksuniversiteit Groningen; Accare Kinder- en Jeugdpsychiatrie
Hoogleraar Klinische Psychologie, GZ-psycholoog, cognitief gedragstherapeut

Dynamisch herstel van alledaagse sociale situaties bij individuen met subklinische sociale angst

dr. Lynn Mobach
Afdeling Klinische Psychologie, Universiteit Utrecht

 

Kernwoorden

sociale-angst, ESM, herstel, interacties, voorspellers

Inhoud van de lezing

Inleiding. Veel jongvolwassenen ervaren wel eens sociale angst in hun studententijd. Verhoogde sociale angst heeft negatieve gevolgen voor interpersoonlijk functioneren. Zo hebben jongvolwassenen met sociale angstklachten minder vrienden en bijkomende depressieve klachten (Leigh & Clark, 2018). Het is echter momenteel nog moeilijk te voorspellen welke jongvolwassenen hier ook langere tijd last van zullen blijven houden en wie er meer sociale angstklachten zullen ontwikkelen op termijn. Het is daarom cruciaal om betere voorspellers te identificeren, zodat preventieve maatregelen juist bij deze individuen kunnen worden ingezet om erger te voorkomen. Tot op heden zijn voorspellers van sociale angstklachten met name gebaseerd op statische metingen die afgenomen zijn op één specifiek moment en op groepsniveau. Inzichten uit zowel Cognitieve theorieën als de Dynamische Systeem theorie indiceren echter dat een focus op individuele reacties op alledaagse sociale situaties mogelijk betere, individuele voorspellers voor de ontwikkeling van sociale angstklachten kan opleveren (Beck, Emery, & Greenberg, 1985; Dakos, van Nes, D’Odorico, & Scheffer, 2012). Deze studie focust daarom op het herstel van alledaagse sociale interacties bij jongvolwassenen met verhoogde sociale angst.

Methode. Vrouwelijke studenten (N = 50) van 18-35 jaar (M = 22.44, SD = 3.43) met subklinische sociale angstklachten (Social Phobia Inventory => 30) konden meedoen aan deze studie. Participanten ondergingen de SCID-sectie sociale angst bij de start van de studie en vulden verschillende vragenlijsten in, waaronder de PHQ-8, STAI, LSAS en BFNE. Deze vragenlijstenset werd herhaald 6 maanden na de eerste meting. Tevens vulden participanten daarna 14 dagen lang, 10 keer per dag op willekeurige momenten tussen 08.00 uur ’s morgens en 22.00 uur ’s avonds een korte vragenlijst (ongeveer 1 minuut) in over hun sociale angstklachten en sociale interacties via hun telefoon. De volgende symptomen werden uitgevraagd: angst op dat moment, fear of negative evaluation, perceived control, fysieke symptomen (o.a. zweten, trillen), anticipatie angst, veiligheidsgedrag en vermijding.

Resultaten. Sociale angstsymptomen waren sterker met elkaar gecorreleerd tijdens een sociale interactie dan bij afwezigheid van een sociale interactie. Preliminaire analyses lieten tevens zien dat langzamer herstel van angst na sociale situaties de ontwikkeling van meer sociale angstklachten voorspelde 6 maanden later.

Conclusie. Jongvolwassenen met verhoogde sociale angstklachten ervaren meer sociale angstsymptomen naar aanleiding van sociale interacties dan wanneer zij geen sociale interactie hebben gehad. Preliminaire resultaten indiceren tevens dat individuen die gedurende langere tijd last hadden van sociale interacties in het dagelijks leven meer sociale angstklachten ontwikkelen 6 maanden later vergeleken met individuen die sneller herstelden van sociale interacties.

Klinische implicaties. Inzoomen op de individuele ervaring en het herstel van sociale interacties op dagelijks niveau kunnen indiceren wie profijt kan hebben van preventieve interventies.

Referenties en literatuur

Beck, A. T., Emery, G., & Greenberg, R. L. (1985). Anxiety disorders and phobias: A cognitive perspective. New York: Basic Books.

Dakos, V., Van Nes, E. H., d'Odorico, P., & Scheffer, M. (2012). Robustness of variance and autocorrelation as indicators of critical slowing down. Ecology, 93(2), 264-271.

Leigh, E., & Clark, D. M. (2018). Understanding social anxiety disorder in adolescents and improving treatment outcomes: Applying the cognitive model of Clark and Wells (1995). Clinical child and family psychology review, 21(3), 388-414.

Auteurs

Lynn Mobach

Afdeling Klinische Psychologie, Universiteit Utrecht
Postdoctoraal onderzoeker