Technologie in de forensische psychiatrie: de plaats van technologie binnen de forensische cognitieve gedragstherapie
MSc. Jan Willem van den Berg
De Tender
nummer
10
Opgenomen in sessies
Donderdag, 15.00 uur, Zaal 57/58
Kernwoorden
Forensisch, technologie, cognitief gedragstherapeutische behandeling
Tags doelgroep
Volwassenen
Tags thematiek en problematiek
Forensisch
Overig
Tags streams
Cognitieve (gedrags)therapie
Overig
Beknopte samenvatting van het symposium
Technologie is niet meer weg te denken uit de cognitieve gedragstherapie. Of het nu gaat om online modules of om behandeling via beeldbellen. Echter, binnen de forensische behandeling is het nog ongewoon om technologie in te zetten die direct gericht is op diagnostiek of behandeling van cognities en/of gedrag. In dit symposium worden drie onderzoeken gepresenteerd naar de haalbaarheid van het gebruik van technologie als cognitief gedragsmatige interventie bij de forensische populatie. De eerste lezing focust zich op het in kaart brengen van de samenhang tussen dynamische risicofactoren door middel van het bijhouden van een electronisch dagboek. Hoe ervaren de deelnemers dit en wat levert deze informatie op voor de casusconceptualisatie van het seksueel grensoverschrijdende gedrag waarvoor de deelnemers in behandeling komen? De tweede lezing richt zich op de toepasbaarheid van vitrual reality bij de forensische doelgroep. Door middel van interviews en gebruikerstesten wordt onderzocht hoe virtual reality toepassingen het best geïmplementeerd worden binnen de diagnostiek en behandeling van forensische patiënten. Zo blijkt bijvoorbeeld dat een geleidelijke blootstelling aan meer intensieve en interactieve scenario’s beter werkt. De laatste lezing evalueert het gebruik van een virtual reality game, DEEP. Met behulp van deze game verbetert een deelnemer zijn emotieregulatie met behulp van diepe buikademhaling. Door middel van biofeed krijgt hij zicht op zijn ademhaling en wordt hij beloont (komt hij verder in de game) door diepe buikadenhaling. Het onderzoek richt zich op de ervaringen van patiënten en behandelaars bij het gebruik van DEEP en de verwachtingen die de behandelaars hebben bij de implementatie van deze behandelmethode in de reguliere behandeling.
Auteurs

Jan Willem van den Berg
De Tender
Psychotherapeut, gezondheidszorgpsycholoog
Inzicht in onderlinge samenhang van dynamische risicofactoren van plegers van seksueel grensoverschrijdend gedrag met behulp van een smartphone: een haalbaarheidsstudie
MSc. Jan Willem van den Berg
De Tender
Kernwoorden
casusconceptualisatie, smartphone, behandeling, zedendelinquenten, ESM
Inhoud van de lezing
Introductie: Gedrags- en cognitieve therapie helpt tot op zekere hoogte om toekomstig seksueel grensoverschrijdend gedrag van zedendelinquenten te voorkomen (Gannon et al., 2019). Deze behandeling richt zich op verandering van psychologische en gedragmatige variabelen die direct samenhangen met seksuele recidive, ookwel dynamische risicofactoren genoemd. Deze factoren zijn ook onderling gerelateerd (van den Berg et al., 2022). Visualisaties van deze onderling samenhangende dynamische risicofactoren kunnen gebruikt worden om de casusconceptualisatie gericht op het seksuele grensoverschrijdende gedrag te verfijnen en aan te vullen. Om deze gepersonaliseerde netwerken te construeren maken zes participanten, die een zedendelict hebben gepleegd, samen met hun therapeut een gepersonaliseerd dagboek over hun dynamische risicofactoren. Ze ontvangen vijf maal per dag een tekstbericht op hun smartphone met een link naar hun gepersonaliseerde vragenlijst. Na twee weken worden de gegevens verzameld en wordt een gepersonaliseerd feedbackrapport gemaakt en besproken.
Deze haalbaarheidsstudie evalueert zowel het proces van het verzamelen van gepersonaliseerde informatie over samenhangende dynamische risicofactoren met een smartphone als de toegevoegde waarde hiervan voor de casusconceptualisatie.
Methode: Om de onderzoeksvragen te beantwoorden worden zowel tijdens de dagboekmetingen als daarna online vragenlijsten afgenomen. Hierbij is de methode gevolgd zoals oorspronkelijk beschreven door Kroeze en collega’s (2017). Ook worden de de ervaringen van de participanten en de therapeut met behulp van een semi-gestructureerd interview uitgevraagd door een onafhankelijk onderzoeker.
Resultaten: Met betrekking tot het proces geeft geen van de deelnemers aan dat het scoren van de dynamische risicofactoren, van invloed is op hun emoties en seksuele gevoelens. Ook ervaren de deelnemers het bijhouden van het electorinsch dagboek niet als belastend. Met betrekking tot de meerwaarde voor het verfijnen van de casusconceptualisatie zijn de deelnemers voorzichtig positief.
Discussie en conclusie: Het bijhouden van een electronisch dagboek gericht op dynamische risicofactoren van plegers van seksueel grensoverschrijdend gedrag is nagenoeg niet belastend voor de participanten. Gepersonaliseerde netwerken van dynamische risicofactoren lijken, aldus de participanten, enigszins bij te dragen aan het verfijnen van de casusconceptualisatie. Verder wetenschappelijk onderzoek zal uit moeten wijzen of deze eerste resultaten bij een onderzoek onder een grotere groep plegers en therapeuten teruggevonden worden.
Klinische implicaties: Deze studie toont aan dat het invullen van een dagboek over dynamische risicofactoren met gebruik van een smartphone ingezet kan worden voor het verfijnen van de casusconceptualisatie van plegers van seksueel grensoverschrijdend gedrag.
Referenties en literatuur
Gannon, T. A., Olver, M. E., Mallion, J. S., & James, M. (2019). Does specialized psychological treatment for offending reduce recidivism? A meta-analysis examining staff and program variables as predictors of treatment effectiveness. Clinical Psychology Review, 73, 1-18. https://doi.org/10.1016/j.cpr.2019.101752
Kroeze, R., van der Veen, D. C., Servaas, M. N., Bastiaansen, J. A., Oude Voshaar, R., Borsboom, D., Ruhé, E., Schoevers R. A., & Riese, H. (2017). Personalized feedback on symptom dynamics of psychopathology: A proof-of-principle study. Journal for Person-Oriented Research, 3(1), 1-10. https://doi.org/10.17505/jpor.2017.01
van den Berg, J. W., Kossakowski, J.J., Smid, W., Babchishin, K. M., Borsboom, D., Janssen, E., & Gijs, L. (under review, 2022). Interrelationships among dynamic risk factors in adult males who committed sexual offences: A replication study.
Auteurs

Jan Willem van den Berg
De Tender
Psychotherapeut, gezondheidszorgpsycholoog
Een sprong in het diepe: een kwalitatief onderzoek naar de verwachte toegevoegde waarde van biofeedback virtual reality game ‘DEEP’ in klinische forensische zorg
MSc. Lisa Klein Haneveld
Transfore
Kernwoorden
Forensische behandeling, biofeedback, virtual reality
Inhoud van de lezing
Introductie: Forensisch psychiatrische patiënten worden behandeld vanwege (dreigend) delictgedrag. Deze doelgroep heeft het vaak complexe psychosociale problematiek en lagere cognitieve vaardigheden (Kip & Bouman, 2020; Kip et al., 2019). Hierdoor zijn bestaande behandelmethodieken die een groot beroep doen op vaardigheden als reflectie, herinnering, lezen of schrijven, niet altijd de beste fit. Behandeling middels een virtual reality (VR) game zo weleens beter kunnen aansluiten bij deze doelgroep. DEEP is een virtual reality (VR) game waarin de gebruiker middels biofeedback spanning leert te reduceren. In DEEP beweegt de speler zich met behulp van zijn diepe buikademhaling door een onderwaterwereld, terwijl hij visuele feedback krijgt op hoe ‘goed’ hij ademt. Ondanks dat DEEP onderzocht is bij studenten en bij jongeren met gedragsproblemen, is het nog niet gebruikt bij forensisch psychiatrische patiënten (Weertmeester, 2021). In deze studie is DEEP geïntroduceerd in de forensische zorg, waarnaar de eerste indruk van zorgverleners en patiënten en hun verwachtingen over de toegevoegde waarde van DEEP is opgetekend.
Methoden: In dit kwalitatieve onderzoek zijn semi-gestructureerde interviews afgenomen over de eerste indruk en het mogelijke te verwachten therapeutische effect van DEEP met behandelaren (n=24) en patiënten (n=9) uit verschillende forensische zorgklinieken van Transfore en De Woenselse Poort nadat ze DEEP ca. 15 minuten konden uitproberen. Ook is met de zorgverleners nagedacht over implementatie mogelijkheden en knelpunten. De geluidsopname van deze interviews zijn woordelijk getranscribeerd en vervolgens deductief gecodeerd.
Resultaten: Uit het onderzoek is gebleken dat zowel behandelaren en patiënten DEEP als veelbelovend beoordeelden. De patiënten vonden het een leuke en ontspannende manier om met hun ademhaling bezig te zijn. Ook zou DEEP zich goed lenen om zelf en op eigen initiatief te gebruiken, als ze daar behoefte aan hebben. Behandelaren zien het daarnaast als een laagdrempelige manier om met patiënten na te denken over hun ademhaling en de signalen die hun lichaam afgeeft bij spanning, stress of boosheid. Zij zien tevens mogelijkheden om DEEP structureel bij hun behandeling te betrekken.
Discussie en conclusie: Deze studie biedt een veelbelovende eerste indruk van DEEP in de praktijk, waarbij ontspanning, emotieregulatie, gebruiksplezier en gebruiksvriendelijkheid de sleutelwoorden zijn. Daarnaast lijkt DEEP zowel structureel als middels een ad hoc inzet de klinische forensische gezondheidzorg te kunnen verrijken. Deze verwachtingen zullen de leidraad vormen voor latere onderzoeken naar de effectiviteit en implementatie van DEEP in de forensische zorg.
Klinische implicaties: Op basis van deze studie kunnen de eerste verwachtingen van zorgverleners en patiënten worden meegenomen als uitkomstmaat voor toekomstig onderzoek naar de toegevoegde waarde van VR-DEEP voor de klinische forensische zorg.
Referenties en literatuur
Kip, H. & Bouman, Y. H. A. (2020). Van denken en praten naar doen en ervaren: op zoek naar de toegevoegde waarde van technologie voor de forensische psychiatrie. Sancties, 4: 249-60.
Kip, H., Oberschmidt, K., Bierbooms, J. & Dijkslag, D. (2019). Technologie in de forensische zorg - Crossing borders.
Weertmeester, J. W. (2021). Take a DEEP Breath: Exploring the Potential of Game-based Biofeedback Interventions for Anxiety Regulation. [proefschrift, Radboud Universiteit].
Auteurs
